• NETJES JATTEN A.U.B.!
  • ONSTUITBAAR VLIEDT DE TIJD
  • HIER MET DAT BOEK! (BESTELLEN? KLIK OP ONDERSTAAND PLAATJE)




















  • Meten is weten!

Laatste reacties

  • Henk @Bertie. Anna Blaman was een
  • Bertie Alweer een mooi fragment. Ik
  • fialas @Henk :: ik ben niet zo bang
  • Wieneke @Hermieneke: Ja, en ik hoef
  • Hermieneke Elegant Wieneke en ook handi
  • Henk @Wieneke. O, alleen al die p
  • Bertie Het fragment dat je hier laa
  • Wieneke @Fialas: Jij en iets niet du
  • Wieneke Ja Henk, dat is zo. Men noem
  • Henk @Wieneke. Dit is afgekeken v

november 2009

ma di wo do vr za zo
            1
2 3 4 5 6 7 8
9 10 11 12 13 14 15
16 17 18 19 20 21 22
23 24 25 26 27 28 29
30            
web-log.nl, powered by TypePad

21 november 2009

Geef mij maar Van Rompuy!

Van_rompuyIk weet dat het een wilde gooi is, maar ik verwacht veel van Herman Van Rompuy als eerste 'president' van de Europese Gemeenschap wegens zijn guitig koppie en vooral zijn poëtische inborst. Grijze muis? Bij hem vergeleken zijn wat wij in Den Haag hebben zitten,  houten klazen en vastkakkers. Het meest dichterlijke dat ik de laatste jaren aan het Binnenhof heb horen klinken, was dat in de Nederlandse borsten weer de VOC-mentaliteit moest gaan gloeien -- en dan zeg ik het nog een paar keer dichtelijker dan het origineel.

Jongstleden donderdag, op de ochtend vóór zijn verkiezing, rondde minister-president Van Rompuy zijn wellicht laatste optreden in het parlement af op zijn typische manier: met een passage uit een gedicht, en wel van de 'prins der Nederlandse poëten', Adriaan Roland Holst. Tijdens het debat citeerde afgevaardigde Jean-Marie Dedecker de beginregels uit diens gedichte De ploeger. De premier antwoordde prompt met een hele strofe (de derde).

Hier het volledige gedicht:

          De ploeger

        Ik vraag geen oogst; ik heb geen schuren,
        ik sta in uwen dienst zonder bezit.
        Maar ik ben rijk in dit:
        dat ik den ploeg van uw woord mag besturen,
        en dat gij mij hebt toegewezen
        dit afgelegen land en deze
        hoge landouwen, waar - als in het uur
        der schafte bij de paarden van mijn wil
        ik leun vermoeid en stil -
        de zee mij zichtbaar is zover ik tuur.
 
        Ik vraag maar een ding, kracht
        te dulden dit besef, dat ik geboren ben
        in 't najaar van een wereld
        en daarin sterven moet.
        Gij weet hoe, als de ritselende klacht
        van die voorbije schoonheid mij omdwerelt,
        weemoed mij talmen doet
        tot ik welhaast voor u verloren ben.
 
        Ik zal de halmen niet meer zien
        noch binden ooit de volle schoven,
        maar doe mij in den oogst geloven
        waarvoor ik dien...
 
        Opdat, nog in de laatste voor,
        ik weten mag dat mij uw doel verkoor
        te zijn een ernstig ploeger op de landen
        van een te worden schoonheid; eenzaam tegen
        der eigen liefde dalend avondrood -
        die ziet beneden aan den sprong der wegen
        de hoeve van zijn deemoed, en het branden
        der zachte lamp van een gelaten dood.

.

20 november 2009

Bordewijk -- hij kon het (2)

Bordewijk_1Het werk van Bordewijk wordt wel ondergebracht in de stroming Nieuwe Zakelijkheid, die rond 1926 is ontstaan in Duitsland en een reactie was op het pathos van het expressionisme.  Men komt ook termen als 'afgebeten-afgemeten' en 'gewapend-betonstijl' tegen. Zoveel is zeker dat, zoals de melomaan Mozart herkent na een paar maten, de verslaafde aan bellettrie Bordewijk herkent na luttele woorden.

Hier nog een passage uit Drie regenbogen:

Het Haagse meisje was vooral gekenmerkt door dartelheid naast volmaakte omgangsvormen. Het was het meisje uit de kringen van van Westerlee, maar evenzeer de dochter van de vermogende burger en de aanzienlijke ambtenaar zonder geld. Het was jong en fris, ondiep maar niet druk, levendig wel. Zoals de Haagse vrouw lange tijd de vrouwenmode van het land bepaalde, zo deed het Haagse meisje ten opzichte van de vrouwelijke Nederlandse jeugd. Het toonde een sierlijk ingepend figuurtje, het liep met kittige passen, het was vrijmoedig maar niet overmoedig en bloosde gauw. Het was gezond en sterk in een tijd, toen het Haagse volksmeisje nog veelszins een bleek, ondervoed voorkomen had. Het scheerde zorgeloos over de afgronden van het leven. Alom in de stad zag men die witgetande lachende monden blinken die zich toch zeer moeilijk lieten kussen. Het Haagse meisje wist misschien al veel, misschien alles, maar men moest zich geen dubbelzinnigheid veroorloven, het was bijzonder zedig. Dan gingen de oogleden neer, het bloemzoet gezichtje trok azijnzuur, de totale houding werd volstrekt afwijzend.

Foto: Bordewijk met de schrijfster Anna Blaman. Opname uit 1957.

18 november 2009

Bordewijk -- hij kon het (1)

BordewijkWie heeft niet Bordewijks Bint gelezen? Zijn Blokken? Zijn Knorrende beesten? Wie kent niet zijn Karakter, al is het slechts via de met een Oscar bekroonde verfilming door Mike van Diem?

Weinig bekend is, vermoed ik, dat uit Bordewijks pen ook een kolossale hoeveelheid korte verhalen zijn gevloeid. De bibliografieën die ik heb geraadpleegd, munten niet uit door duidelijkheid, maar ik kom toch al gauw op een achttiental bundels, met in totaal een honderdvijftig verhalen.

Het zal wel in de sterren geschreven staan dat ik momenteel een korte-verhalenfase mijns levens moet doormaken en zo heb ik mij vorige week gestort op de zeventien stuks omvattende bundel Verhalen,  een herdruk van Kelders en paleizen. Hij is samengesteld door de dichter Pierre H. Dubois, vroeger een vrij invloedrijk recensent.

Vooraf: van Dubois' poëzie ken ik slechts één (goed) gedicht, maar wat schrijft die man een moeizaam proza! En uitgever BZZTôH moest zich schamen voor de vorm: een fantasieloos omslag en een broodletter van een corpus dat verzekeringsmaatschappijen benutten om hun verzekerden te verneuken. (Deze uitgeverij is eind mei jongstleden op de fles gegaan; er werd gerept over een sterk afgeslankte doorstart, maar ik weet niet of het ervan gekomen is).

Bordewijk behoorde tot de bofkonten die het schrijven van korte verhalen van huis uit in hun vingers hebben. Met dien verstande dat zijn talent zich door de jaren heeft verstevigd, zodat bijvoorbeeld een zekere krampachtigheid of althans  gekunsteldheid, die men nog aantreft in de vroege bundels, het veld ruimt voor speels en schijnbaar moeiteloos meesterschap. Hier een lekker stukje uit de vertelling Drie regenbogen, verschenen in de bundel Het eiberschild uit 1949.

Hij keek, gaande naar of van school, graag neer in de achterzaal der sociëteit Plaats Royal, aan het water van de Hofvijver aan de Gevangenpoort. Die zaal was bespijkerd met een dik vuurrood kleed waarop achteloos kleine fauteuils stonden. Te vier uur, wanneer hij van school kwam, zaten daarin altijd kleine grijsaards met indrukwekkende witte baarden. Zij aaiden deze als geliefde huisdieren, elk het zijne. Zij zaten er gelijk waardige Sinterklazen uitrustend van hachelijke dakentochten. Zij zaten voor kleine glaasjes of achter grote nieuwsbladen, veelal met de rug naar de hoge vensters op het water, om beter licht op hun lectuur, en de vensters steeds gesloten uit vrees voor ongerief aan de gevoelige schedels en schouders.

(wordt vervolgd)

16 november 2009

Goeg gezegd, burgemeester!

Whitton_1_3 'Wat vrouwen ook ondernemen, zij moeten dubbel zo goed zijn als mannen om half zo goed te worden gevonden. Gelukkig is dat niet moeilijk.'

Dit is een uitspraak van de Canadese feministe Charlotte Elizabeth Whitton (8 maart 1896-25 januari 1975).

Zij was aanvankelijk journaliste, maar verkoos uiteindelijk het openbaar bestuur. Van 1951 tot 1954 was zij burgemeester van Ottawa.

Zij heeft zich aanzienlijke  verdiensten verworven op het terrein van wetgeving voor kinderbescherming. (Zelf had zij geen kinderen en zij is ook nooit getrouwd).

Charlotte Whitton was beroemd (en gevreesd) om haar assertiviteit en prikkelende humor.

13 november 2009

Ik was 10 (nieuwe serie - 5)

PanzerfaustEen paar honderd meter van ons huis lag het spoorwegemplacement met een laadperron van Van Gend  & Loos. Ik zwierf daar vaak rond, omdat je er houders met Britse geweerpatronen kon vinden, die je open kon breken, waarna je van de staafjes cordiet met een papiertje en een draadje breiwol raketjes kon maken. 

Op zekere dag zag ik dat op het laadperron acht Britse en Amerikaanse tanks waren geparkeerd. Ze waren allemaal buiten gevecht gesteld door een PAK-kanon of een Panzerfaust, het persoonlijke antitankwapen van de Duitse soldaat, getuige het ronde gat dat de helse hitte van een voltreffer in het staal had geboord en afgezet met vervaarlijke bramen.

Er slenterde een clubje jongens rond, ouder dan ik en ondernemender. 'Kom eens mee, dan laten we je wat moois zien,' zei een van hen. We hesen ons op aan de achterkant van het perron om niet te worden gezien door de militair die met geschouderd geweer aan de andere zijde op wacht stond; hij was trouwens niet bijzonder waakzaam, druk als hij het had om met gezwaai van armen en gestamp van voeten de felle vrieskou baas te worden.

De jongens gingen me voor, sluipend tussen de tanks, ze klauterden op één daarvan en trokken een luik voor me open. Wat ik toen zag, is me mijn hele leven bijgebleven. Aan het stuur zat wat overgebleven was van een mens: een hoofd zonder ogen, zonder neusbeen, zonder haar, de huid als geschroeid leer strak over de schedel getrokken, de mond gapend over geblakerde tanden, de romp nog bedekt met flarden uniform, een voetbalgroot gat in de maagstreek, de onderarmen nog enkel aanwezig als naakte spaakbenen en ellepijpen, de handen weg, beneden de knieën nog slechts stompen kuit- en scheenbeen te zien. Zo jong als ik was, vond ik het onbegrijpelijk dat men de arme drommel niet vóór het wegslepen van zijn tank had geborgen en begraven.

Later kwam ik één van de jongens tegen en ik vroeg of hij wist van er van de gesneuvelde was geworden. 'Ik heb gezien dat twee soldaten hem eruit hebben getild,' antwoordde hij. 'Ze hebben hem in een paardendeken gewikkeld en zijn met hem in een jeep weggereden.'

Foto: Een Panzerfaust. Afhankelijk van het type kon het projectiel tussen de 140 en 320 millimeter pantserstaal doorboren.

(slot)

11 november 2009

Ik was 10 (nieuwe serie - 4)

Knil 'Was die gele vandaag weer hier?' was de vraag die mijn moeder dikwijls kreeg voorgelegd van Janus van S., een kostganger van buurvrouw Marietje. Het was een man van een jaar of 55, die op zijn klompen, met schaatsbewegingen gaande, aan de deur groenten en fruit sleet. Met 'die gele' bedoelde hij niet een zoon van het Chinese volk doch de Nederlandse koloniaal K., wiens teint onder inwerking van de koperen ploert was verkleurd tot belegen zeemleer. K.  had in het Jappenkamp zijn vrouw verloren en was met zijn drie kinderen na repatriëring tijdelijk neergestreken bij zijn broer, die op 50 pas van ons -- en dus van Marietje -- woonde. Het duurde niet lang of de viriele koloniaal liet zijn oog met welgevallen rusten op de even knappe als dartele brunette. En mijn moeder moest Janus telkens naar waarheid antwoorden dat 'die gele' inderdaad weer bij Marietje over de vloer was geweest.

'Dat zint me helemaal niet,' stelde Janus dan vast. 'Marietje wil namelijk met me trouwen. Dat heeft ze mij beloofd. Niet één keer, maar vele keren.' Hoewel Janus oud genoeg was om Marietjes vader te zijn, is het best mogelijk dat hij de waarheid sprak, want zij was wel een type om scheutig met trouwbeloften te zijn.

Marietje verkeerde tijdelijk in een amoureus vacuüm. Peter de Eerste was naar het Russisch front gestuurd en had daar wellicht zijn botten gelaten. Peter de Tweede was gedemobiliseerd teruggekeerd naar de vleespotten van Engeland. Om een lang verhaal kort te maken: ons buurmeisje schonk heur hart aan de koloniaal en werd zeer gelukkig met hem, te meer omdat hij een dijk van een pensioen genoot. Zij gingen wonen in een dorpje, in een  knap huis aan -- eerlijk waar -- een straat die 'Verliefdenlaantje' heette. Het is dat Maarten 't Hart toen pas een kleutertje was, anders had de versmade Janus met de schrijver kunnen zeggen: 'Zij trekt van één pruim meer profijt dan ik van een ganse kar met fruit.'

Foto: Een militair van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger, waarin K. had gediend.

(wordt vervolgd)

9 november 2009

Ik was 10 (nieuwe serie - 3)

Zndapp_ks_750Onze buurlieden waren de weduwnaar Nardus S. en zijn ongetrouwde dochter Marietje. Zij leefden van zijn blikslagerspensioen en het houden van kostgangers. Marietje verdient om drie redenen vermelding: zij was een knappe brunette, had een hart van goud en was getroffen door een Schrijnend Leed: zij was verloofd geweest en zou binnen afzienbare in de echt worden verbonden, maar viel uit de boot, omdat de losbol van een verloofde een ander meisje zwanger had gemaakt. Dit was voor haar aanleiding geweest, zoals zij mijn moeder, haar vertrouwelinge, vertelde, alle remmen los te gooien en haar schade in te halen.

Op zekere avond zag mijn vader tot zijn niet geringe ergernis dat op de binnenplaats naast ons huis, tegen een hoop Maaszand dat onze andere buurman, aannemer Tillemans, gebruikte voor het maken van metselspecie, een in camouflagetinten gespoten Zündapp KS 750-motorfiets was geparkeerd. De berijder bleek Marietjes jongste verovering, een Hauptmann Peter. (Mijn vader, die het bloed van de bezetters wel kon drinken, sprak over hem consequent als 'Marietjes roverhoofdman').

Peter, uiterlijk een klinkklaar exempel van de Edelgermaan, had in Duitsland een eega en twee kinderen, waarvan hij tegenover zijn vriendin geen heel maakte; hij liet haar zelfs foto's van een stralend lachend gezinnetje zien. 'Dat kan mij niet bommen,' zei Marietje tegen mijn ma, 'zolang hij in Nederland is, is hij van mij.'

Enkele dagen na de bevrijding van Helmond belden twee mannen van middelbare leeftijd bij Nardus aan. Hun enige bewapening bestond uit de rood-wit-blauwe armband van de OD (Ordedienst) en op de Duitsers buitgemaakte fietstassen van harig, roodbont koeienleder. 'Nardus, we komen je dochter halen. Je zult wel weten waarom en waarvoor,' zei de een. 'Mijn dochter woont hier niet meer. En nu opgesodemieterd,' antwoordde de blikslager. De twee OD'ers, die kennelijk in hun maag zaten met de opdracht van hun commandant, hielden niet aan en peddelden opgelucht weg. Gelukkig voor Marietje, die zich had gebarricadeerd in de kast van de overloop.

Marietje is nooit opgepakt en dus ook niet kaal geknipt. Een paar dagen na het voorval met de OD'ers werd namelijk tegen de hoop Maaszand een in camouflagetinten gespoten Norton-motorfiets geparkeerd. De nieuwe verovering van Marietje was een rang lager (hij was slechts luitenant). Maar hij heette ook Peter. Dit werd echter door Marietje anders uitgesproken.

Foto:  Een Zündapp KS 750. Grapjassen beweerden dat KS stond voor 'klotenstoter'.

(wordt vervolgd)

6 november 2009

Ik was 10 (nieuwe reeks - 2)

Tank_overloonDoordat begin oktober 1944 het geallieerde offensief in de Peel was vastgelopen, werd Helmond het dichtstbijzijnde en grootste depot van het Britse VIIIe legerkorps. Geen school, geen fabriek, geen ander groot gebouw of er lagen militairen, veel gezinnen kwartierden een officier in (mijn tante Mien had een Lieutenant), de straten wemelden van de tanks en andere voertuigen en rond de stad lag een formidabele ring van afweergeschut dat vaak met helse, oorverdovende schoten losbrandde. Jongens, wat had ik daar een angst voor! Het was alsof vlak naast je oor een enorm koekblik in elkaar werd gehengst.

Het Duitse bruggenhoofd achter de Peel was opperbevelhebber Eisenhower een doorn in het vlees: de vijand kon elk moment uitbreken om de geallieerden uit oostelijk Noord-Brabant terug te slaan. Hij gaf daarom zijn 7e tankdivisie opdracht met de Duitsers korte metten te maken. In twee geforceerde dagmarsen trokken de Amerikanen van de Elzas naar de omgeving van Overloon. Daar ontbrandde een baarlijke tankslag. De sterkte van het bruggenhoofd en de taaiheid van de Duitse soldaat waren schromelijk onderschat, met het gevolg dat de Amerikanen zich met bebloede koppen moesten terugtrekken, 452 doden en 35 vernielde tanks achterlatend.

Dit had tot gevolg dat in Helmond groot alarm werd geslagen: de Britten moesten nu als de wiedeweerga Peelwaarts oprukken. Ik zie nog voor me hoe bij de ambachtsschool op een paar honderd meter van ons huis een compagnie Schotten de zestonners beklom. Eén jongen van ons clubje kon niet nalaten  zich te bukken om onder een kilt te kijken (het verhaal ging dat de Schotten er niets onder droegen), maar hij werd door een officier met een bestraffend gesis tot de orde geroepen. Ik vergaloppeerde me ook, want toen ik een militair een vracht flessen met een troebele inhoud zag aanslepen, verkondigde ik gedecideerd: 'Dat is pis.' Een vriendelijke hospik legde me uit dat het bloed was.

(Pas veel later heb ik beseft dat menigeen van de militairen die op die dag ten strijde trokken, Helmond nooit hebben teruggezien. De inname van Overloon en Venray kostte het VIIIe legerkorps 1.426 man. Overloon, it's mines, woods and mud, stiff with the enemy all the way, stelde één van de bevrijders vast).

De dag van het alarm prentte zich om een zeer bijzondere reden vast in het geheugen van tante Mien en haar gezin. Haar Lieutenant ontving via een motorkoerier bevel zijn  eenheid onmiddellijk gevechtsklaar te maken, realiseerde zich dat hij in zijn kamer op de verdieping zijn zakboekje of iets dergelijks had laten liggen, smeet zijn dienstrevolver op de tafel in de woonkamer van mijn tante en stormde naar boven. Mijn neefje Henk, een jaar ouder dan ik, was natuurlijk geïntrigeerd door het wapen en wilde wel eens zien wat er zou gebeuren, indien hij aan dat dingetje daar trok. Er klonk een daverende knal en in een  hoek van het vertrek ontving het beeld van onze Verlosser de kogel pardoes in zijn Allerheiligst Hart, waarna het in duizend gipsen gruzelementen uiteen spatte.

Foto: Eén van de tanks in het Liberty Museum te Overloon.

(wordt vervolgd)

4 november 2009

Ik was 10 (nieuwe reeks - 1)

Hollerith_2In Helmond stond een metaalbedrijfje dat, naar verluidde, zeer geavanceerde instrumenten maakte. Geen wonder dat het tijdens de bezetting een Duitse Verwalter kreeg, die voortaan de lakens uitdeelde. Als manusje van alles werkte er een zekere Van G., die met zijn gezin een paar huizen van ons vandaan woonde. Hij keek met zijn rechteroog in zijn linker broekzak en pruimde tabak of althans wat daarvoor in  de laatste oorlogsjaren doorging, maar overigens was hij een oppassende katholieke kerel:  'voor de Kerk getrouwd', kinderen allemaal gedoopt, gevormd, eerste communie gedaan, plechtige communie gedaan en de oudste, die bij mij in de klas zat, had een eerste prijs voor catechismus gewonnen.

Op de avond van onze bevrijding werden we opgeschrikt door oorverdovend gelal en gebral. Daar kwam Van G., zo dronken als een kanon, met een bakfiets onze straat inrijden. Op het vehikel torende  zijn oorlogsbuit, te weten: schrijf-, reken- en Hollerith-machines van zijn werkgever. Zo kwam ik als knaapje oog in oog te staan met een exempel van zedenverwildering waartoe de oorlog aanleiding geeft.

Onze bevrijders konden er trouwens ook wat van. Een Helmondse kastelein moest hulpeloos toezien hoe een paar ladderzatte Britten op zijn biljart klauterden, zich ontblootten en de gasten besproeiden met krachtige stralen urine. In een huis dat een tijdje gevorderd was geweest, hadden Britse militairen de tafel gedekt voor vier personen, de soepborden boordevol gekakt en in de uitwerpselen bestek geplant.

Van deze laatste gebeurtenissen ben ik geen getuige geweest. Dit beeld echter is me bijzonder bijgebleven: een sergeant die in een fabriekshal de rugzakken van zijn gesneuvelde strijdmakkers leegschudde. Ik zie de spullen nog vallen: een slinger Franse prentbriefkaarten, een pijp, wat brieven, een mondharmonicaatje...

Foto: Een Hollerith-machine uit de jaren '30.

(wordt vervolgd)

2 november 2009

Het korte verhaal: weinigen uitverkoren - 7

Kuik_5 Ik had, voordat ik aan Life's Little Ironies begon, vijf bundels korte verhalen van Nederlandse en Vlaamse auteurs gelezen: De feestavond van Thomas Verbogt, De hanen en andere verhalen van Doeschka Meijsing, Op de man af, Met liefde en Een schrale troost, en -- om me een gemakkelijk woordspelletje te veroorloven -- het was een schrale oogst.

Redelijk goed tot goed spul van Maartje Luccioni, Nelly Heykamp (wel wat rommelig), Chaja Polak, Olga Rodenko, Renate Dorrestein, Ethel Portnoy, Monika van Paemel, Renate Rubinstein (een paar tekstjes, eerder schetsjes dan korte verhalen, hadden hier echter niets te zoeken; hetzelfde geldt voor de bijdrage van Yvonne Kroonenberg), Helga Ruebsamen, Remco Campert, Cees Nooteboom en Adriaan Morriën. De erepalmen echter komen mijns inziens toe aan Dirkje Kuik met haar lekker macaber verhaal De nachtcactus bloeit en aan Aat Ceelen met zijn briljante De bril; aan de laatste heb ik mijn vorig logje gewijd, de eerste komt gewis ook aan de beurt.

Daarnaast helaas een massa proza waarin van enige mythische dimensie geen sprake is; waarin de aandacht voor de condition humaine is teruggebracht tot een 'kopieerlust des dagelijkschen levens'. Als vulmiddel worden we dan vergast op een stortvloed aan saaie, banale, onbenullige details, die het best kan worden gekenschetst als een vermoeiende woordenkakkerij: regenjassen en overschoenen worden aangetrokken, peuken uitgedrukt, trams bestegen en verlaten, hoeken om- en boeken opgeslagen, blazen geledigd, gordijnen toegeschoven, pilsjes en uitsmijters besteld, winden gelaten, friteszakjes op straat geflikkerd en -- tegenwoordig een onmisbaar element --  gulpen opengeritst.

Namen? Hermine de Graaf, Chantal van Dam, Doeschka Meijsing, Rita Demeester, Pamela Koevoets, Vonne van der Meer, Margriet de Moor, Charlotte Mutsaers, Maria Stahlie, Thomas Verbogt, Kester Freriks en Oek de Jong; en de ergste van allen: Kristien Hemmerechts; zij doet me altijd denken aan een kind dat met haar 4 jaar ontdekt dat jongetjes een fluitje hebben en meisjes een doosje en daarover een halve eeuw later nog steeds schrijft, zonder in de gaten te hebben dat zij met haar ranzig geleuter hele volksstammen behalve zichzelf mateloos verveelt.

Wie zich wil aangorden voor het korte verhaal, zou er goed aan doen zich op de eerste plaats te richten naar wat dr Claire Seymour van de University of Kent at Canterbury schrijft aan het slot van haar voorwoord tot Hardys bundel (in de reeks Wordsworth Classics):

He strove for a fiction in which the tension between the individual and society was explained by ´Nature´s unconsciousness not of essential laws, but of those laws framed merely as social expedients by humanity, without a basis in the heart of things´. Only the ironic perspective, with the simultaneous stoical acceptance and critical melancholy, can accommodate both the farcical and tragic aspects of the perpetual contradictions of human existence.

En op de tweede plaats te leren schrijven.

(slot)

Foto: Dirkje Kuik (1929-2008)