Opgeknapt van Bernlef, afgeknapt op Kossmann
Enige tijd geleden was ik niet aardig voor een bundel korte verhalen van Bernlef. Ik vond dat ze nergens over gingen en bovendien ineen stuikten onder een lawine van loze waarneminkjes. Daar neem ik geen woord van terug. 'Bernlefs oog voor detail laat geen verveling toe,' meende ooit een recensent van het dagblad Trouw. Hij wel!
Maar ook bij auteurs moet de schoorsteen roken en menigeen schrijft dan ook door, wanneer het tijdelijk niet wil lukken. Herhalingsoefening voor Bernlef dus. Ik ben blij dat ik zijn bundel Verbroken zwijgen ter hand heb genomen, want hij bevat, naast een prul, enkele goede en zelfs twee zeer goede verhalen.
Gelukkig is de schrijver op het stuk van details ferm op de rem gaan staan. Maar de oude Adam heeft hij nog niet gans weten af te leggen. Wat heeft het bijvoorbeeld voor zin te vermelden, tot twee maal toe nog wel, dat in de gang van een hotel een plattegrond van de etage hangt en een verlichte pijl naar de uitgang verwijst? Allicht. Moet van de brandweer. Interessant zou veeleer zijn dat beide dingen ontbraken. Je vraagt je dan al gauw af of we in een apenland zitten; of in Corleone, waar de hotelier zich van de overheid geen laars hoeft aan te trekken, omdat hij een alles en iedereen dominerende mafia-don is.
Van een auteur verwacht ik dat hij me onderhoudt. Onderhoudt in de brede zin des woords: dat hij mij doet peinzen, doet lachen, doet wenen, doet nagaan; niet dat hij me verveelt; als ik naar gezwets wil luisteren, kan ik terecht bij de cynicus Wim Kok voor de commissie-De Wit. Wat heb ik aan geschrijf als: De Arnold Rustenburg die daar zat was ik zelf, maar het was er ook een die zichzelf verloren had en daar blij om was. Ik vroeg mij af wat ik met hem aan moest en lachte dan weer om die zorgelijkheid. Ondertussen maakte ik mij zorgen over mijn geluksgevoel, dat verklaard diende te worden door een situatie, door een stoel, een uitzicht van toch echt niet onverbiddelijke schoonheid. Het leek mij riskant voor een sterveling om in zulke hysterie niets te doen en als laatste rechtvaardiging een tekst te mompelen waarvan ik de banaliteit bij nader inzien nauwelijks durfde te ontkennen... De trage ober zette een kopje koffie op mijn tafel en wenste mij goede morgen. Ik had niet hoeven te bestellen. Het gegeven dat ik iedere ochtend op hetzelfde uur van de dag koffie kreeg aangereikt, zonder erom te hoeven vragen, vervreemdde mij nog gelukzaliger van mijzelf. (Alfred Kossmann in zijn uit 1983 daterende roman Drempel van ouderdom).
Foto 2: Kossmann, links, met Theun de Vries in 1965.











Laatste reacties