Ik had, voordat ik aan Life's Little Ironies begon, vijf bundels korte verhalen van Nederlandse en Vlaamse auteurs gelezen: De feestavond van Thomas Verbogt, De hanen en andere verhalen van Doeschka Meijsing, Op de man af, Met liefde en Een schrale troost, en -- om me een gemakkelijk woordspelletje te veroorloven -- het was een schrale oogst.
Redelijk goed tot goed spul van Maartje Luccioni, Nelly Heykamp (wel wat rommelig), Chaja Polak, Olga Rodenko, Renate Dorrestein, Ethel Portnoy, Monika van Paemel, Renate Rubinstein (een paar tekstjes, eerder schetsjes dan korte verhalen, hadden hier echter niets te zoeken; hetzelfde geldt voor de bijdrage van Yvonne Kroonenberg), Helga Ruebsamen, Remco Campert, Cees Nooteboom en Adriaan Morriën. De erepalmen echter komen mijns inziens toe aan Dirkje Kuik met haar lekker macaber verhaal De nachtcactus bloeit en aan Aat Ceelen met zijn briljante De bril; aan de laatste heb ik mijn vorig logje gewijd, de eerste komt gewis ook aan de beurt.
Daarnaast helaas een massa proza waarin van enige mythische dimensie geen sprake is; waarin de aandacht voor de condition humaine is teruggebracht tot een 'kopieerlust des dagelijkschen levens'. Als vulmiddel worden we dan vergast op een stortvloed aan saaie, banale, onbenullige details, die het best kan worden gekenschetst als een vermoeiende woordenkakkerij: regenjassen en overschoenen worden aangetrokken, peuken uitgedrukt, trams bestegen en verlaten, hoeken om- en boeken opgeslagen, blazen geledigd, gordijnen toegeschoven, pilsjes en uitsmijters besteld, winden gelaten, friteszakjes op straat geflikkerd en -- tegenwoordig een onmisbaar element -- gulpen opengeritst.
Namen? Hermine de Graaf, Chantal van Dam, Doeschka Meijsing, Rita Demeester, Pamela Koevoets, Vonne van der Meer, Margriet de Moor, Charlotte Mutsaers, Maria Stahlie, Thomas Verbogt, Kester Freriks en Oek de Jong; en de ergste van allen: Kristien Hemmerechts; zij doet me altijd denken aan een kind dat met haar 4 jaar ontdekt dat jongetjes een fluitje hebben en meisjes een doosje en daarover een halve eeuw later nog steeds schrijft, zonder in de gaten te hebben dat zij met haar ranzig geleuter hele volksstammen behalve zichzelf mateloos verveelt.
Wie zich wil aangorden voor het korte verhaal, zou er goed aan doen zich op de eerste plaats te richten naar wat dr Claire Seymour van de University of Kent at Canterbury schrijft aan het slot van haar voorwoord tot Hardys bundel (in de reeks Wordsworth Classics):
He strove for a fiction in which the tension between the individual and society was explained by ´Nature´s unconsciousness not of essential laws, but of those laws framed merely as social expedients by humanity, without a basis in the heart of things´. Only the ironic perspective, with the simultaneous stoical acceptance and critical melancholy, can accommodate both the farcical and tragic aspects of the perpetual contradictions of human existence.
En op de tweede plaats te leren schrijven.
(slot)
Foto: Dirkje Kuik (1929-2008)
Laatste reacties